Vogelbescherming: landbouw moet vogelvriendelijker

Fotograaf Martin Hierck (c)

Boeren moeten sinds 1994 drijfmest injecteren in de grond en mogen het niet bovengronds uitrijden. De overheid zet daar zware straffen op: het zou slecht zijn voor de ammoniakuitstoot.  Sommige boeren zeggen dat injectie slecht is voor de grond, het bodemleven in de grond, de weiden en de weidevogels en dus voor het vee dat er graast. Bovendien ligt er onderzoek dat grote vragen stelt bij de mestvisie van de overheid. De vereniging Vogelbescherming Nederland heeft een genuanceerd standpunt: intensieve landbouw is het probleem. Maar als Vogelbescherming mag kiezen tussen uitrijden en injecteren, dan zien de vogelbeschermers het liefst dat er ruige stalmest – dus zonder urine – op het land wordt uitgereden.

Dat is het beste voor de leefomgeving van de weidevogels. Marieke Dijksman van Vogelbescherming zegt dat het een complexe vraag is, uitrijden of injecteren. ‘Het moment van mesttoediening en de hoeveelheid zijn eveneens van groot belang. In zijn algemeenheid geven we voor weidevogelland (kruidenrijk grasland met uitgestelde maaidatum) de voorkeur aan het gebruik van langzame meststoffen (zoals ruige mest) in beperkte hoeveelheden bij aanvang van het broedseizoen.’Vogelbescherming heeft er een factsheet over. Die is hier te vinden.

 

Intensieve landbouw geeft vogels minder voedsel

Het probleem voor Vogelbescherming is dat intensieve landbouw in zijn algemeenheid vogelonvriendelijk is. ‘Het probleem van intensieve landbouw voor Vogelbescherming is dat de hoge productie ten koste gaat van de ruimte voor weide- en akkervogels. Specifiek voor weidevogels geldt dat een intensiever graslandgebruik gepaard gaat met een lager slootpeil, hogere mestgift en vroeger en frequenter maaien.’ Dijksman: ‘Dit resulteert in een dicht, snel groeiend grasland waarin vrijwel geen ruimte is voor kruiden. Door mestinjectie zijn rode regenwormen minder beschikbaar voor de oudervogels die de kuikens dan ook niet kunnen voeden. Door de hoge maaifrequentie is er te weinig tijd om het legsel uit te broeden, dan wel is er te veel onrust in het land. Legsels die uit zijn gekomen moeten zich verplaatsen, waardoor ze kwetsbaar zijn voor predatie. De kuikens kunnen zich nauwelijks door het dichte gewas verplaatsen. Door de lage kruidenrijkdom en hoge maaifrequentie zijn er te weinig grote insecten, waar de kuikens het van moeten hebben.’

Verdwijning ontheffing uitrijden slecht voor vogelstand

Tegelijk zijn er ook een aantal boeren bezig met de kwaliteit van  de bodem en de mest en ze zien het als deel van hun bedrijfsvoering om hun land natuurinclusief te maken omdat zij ook belang hebben bij een gezond grasland. Injectie van drijfmest is slecht, zeggen ze. Onderzoek van het vakblad V-Focus stelde onlangs grote vraagtekens bij het injecteren als methode om de ammoniakuitstoot te verminderen. Volgens het blad heeft de reductie van ammoniak vooral te maken met reductie van de veestapel, zoals tijdens de vee crises met de mkz-crisis. Bovendien stelt V-Focus dat de gehanteerde rekenmethode niet overeen komt met uitgevoerde metingen van derden. Het blad kreeg tot nu toe weinig gehoor bij de overheid. Overigens is ook op de Wageningen Universiteit een stammenstrijd over de gehanteerde methode. Vogelbescherming kent dat onderzoek niet en heeft er dus ook geen mening over. Nu voor bedrijven die ontheffing hebben  om drijfmest te injecteren wordt ingetrokken, per eind 2018, vrezen de boeren dat het ook ten koste gaat van de vogelstand op die weiden.

Injectie bedreigt vogelnesten

Een groot probleem voor die boeren zijn de vogelnesten. Boeren die drijfmest uitrijden, wijzen op risico’s voor de nesten bij de verplichte injectie. Dat gaat namelijk met een sleepslang of een injecteur en die vernielen de nesten. Dat is nadelig, zegt ook Vogelbescherming, waarbij de organisatie aantekent dat iedere mestmethode nadelen heeft voor de weidevogelstand.

‘Wanneer nesten sneuvelen bij het gebruik van welke mestmethode ook, is dit natuurlijk ongunstig voor de vogels, soms beginnen ze opnieuw, soms ook niet. Onderzoek wijst uit dat de eerste legsels de eieren van de beste kwaliteit bevatten. Deze jongen hebben de hoogste overlevingskans. Daar komt nog bij dat de predatiedruk in de loop van het broedseizoen toeneemt.’

Mestinjectie bedreigt voedsel

Maar drijfmest, mest met urine biedt ook niet de oplossing. ‘Drijfmest resulteert in een snel groeiend, uniform grasland. Weidevogels krijgen hun cyclus niet rond binnen de omloopsnelheid van de intensieve landbouw’ zegt Vogelbescherming.

Tegelijk biedt injectie zeker geen oplossing. De grondwaterstand staat lager en daardoor kunnen de vogels niet bij de wormen, blijkt uit onderzoek van Jeroen Onrust (Rijksuniversiteit Groningen). Dat toont aan dat de regenwormstand zich herstelt na mestinjectie maar de capillaire werking – de fluctuatie van het grondwaterpeil – van de bodem wordt door mestinjectie verstoord. Regenwormen worden daardoor minder tot niet goed bereikbaar voor weidevogels. Vogelbescherming: ‘Dit geldt zeker voor oogjagers als de Kievit, waarvoor de regenwormen aan het oppervlak moeten komen. Zeker in droge voorjaren herstelt de capillaire werking van de bodem zich langzaam, juist in de periode waarin de vogels hun grootste energiebehoefte hebben.’

Door voedselgebrek zijn vogels eerder de prooi voor vossen

Foto Vogelbescherming

Dat gebrek aan voedsel heeft ook tot gevolg dat vogels eerder prooi worden voor bijvoorbeeld vossen, ze worden gepredeerd, opgegeten. De grote vraag bij predatie is volgens Vogelbescherming altijd of de predator de doodgraver of de beul is. ‘Een kuiken dat langer of op risicovoller plaatsen moet foerageren omdat er weinig eten is heeft een grotere kans om gepredeerd te worden dan een kuiken dat opgroeit in onverstoord, optimaal leefgebied. Gezinnen die zich over grote afstanden moeten verplaatsen omdat al het grasland in de wijde omgeving in kort tijdsbestek is gemaaid lopen eveneens een groot risico op predatie.’

Regionale verschillen in predatie zijn groot. Daarom pleit Vogelbescherming consequent voor een ‘aanpak op maat’ door alle gebiedspartijen, gebaseerd op feiten. Het standpunt over hoe om te gaan met predatie vindt u hier. Onderzoek toont aan dat predatorenbeheer weinig resultaat oplevert wanneer het leefgebied voor de weidevogels niet op orde is. Met andere woorden, de natuur doet wat ze wil, ook als er geen voedsel is of als de voedsel voorraad door menselijk ingrijpen, zoals intensieve landbouw, wordt verstoord.

Een prooi leidt tot meer prooien

Een ander aspect dat meespeelt is schaal: weidevogels zijn ‘ teruggedrongen’  in relatief kleine leefgebieden. Daardoor is sprake van meer ‘randeffecten’  en mogelijk ook een ‘aanzuigende werking op predatoren’: het ‘ honingpoteffect’. De rovers  weten dater makkelijke prooien in een weiland verblijven.

Meer proeven met Natuur Inclusieve Landbouw (NIL-pilot)

Een manier om uit te zoeken wat werkt, zijn proeven. Kuipers zegt dat Vogelbescherming altijd in is voor proeven of pilots die kunnen helpen om de landbouw meer natuurinclusief te krijgen, dus in dit geval meer rekening houdend met weidevogels. ‘Een aantal van deze projecten hebben we zelf geïnitieerd, zoals Polderpracht op Terschelling. Ook participeren we in zuiverinitiatieven als Red de Rijke Weidekaas, Weideweelde en Weerribben Zuivel, die proberen het extra geld dat nodig is voor weidevogelbescherming uit de markt te halen.’

‘Op dit moment lopen er op diverse plaatsen in het land allerlei NIL-pilots. Of een pilot in relatie tot bovengronds uitrijden van mest hier onderdeel vanuit maakt, is ons niet bekend.

Uitrijden van ruige mest in aangepaste hoeveelheden (zo laat mogelijk voor het broedseizoen) heeft volgens de ons beschikbare wetenschappelijke kennis duidelijk de voorkeur op weidevogelland. Zie onze factsheet over mest.’