Waarom wel een directeur van het Museum, maar niet van het Stadspark?

Het park als cultuurgoed

De Witte Molen, van het bezoekerscentrum bij Park Sonsbeek in Arnhem.


Wim Pijbes, oud directeur van het Rijksmuseum, schrijft over hoe belangrijk het nemen van eigenaarschap over stadsparken is. Waarom weet iedereen wie de directeur van het Rijksmuseum is en noemt niemand zich directeur van het stadspark?


Watching people doing the same thing

door Wim Pijbes

Iedere stad van enige omvang kent een stadspark. Maar zelden of nooit kent iemand de directeur. Wel van de stadsschouwburg, het stedelijk museum, of de plaatselijke FC. Het stadspark is van iedereen en dus van niemand en kent geen duidelijke ‘eigenaar’. En dat is jammer.
Internationaal worden parken gewaardeerd als onmisbare vitale elementen in iedere urbane samenleving: ‘used for the simple act of watching people doing the same thing’.


Wie niet alleen naar de architectuur kijkt, maar ook de gebruikskwaliteiten van stedelijk groen nader beschouwt, valt op dat het gebruik sinds jaren fors toeneemt. Bezoekers komen vooral uit de directe omgeving, de leeftijd is jong en etnische minderheden hebben een sterke voorkeur voor buiten-recreatie. Deze gegevens zou ieder Nederlands stadsbestuur tot groot enthousiasme moeten brengen: gebied binnen de stadsgrenzen dat door een groeiend aantal ‘prioriteitsgroepen’ voor vrijetijdsbesteding wordt benut, goed bereikbaar en centraal gelegen.

Het park als culturele buitenlocatie
Ieder park kent zijn eigen historie. Het is zinloos om door vergelijkingen te maken, conclusies te trekken zonder daarbij de specifieke eigenschappen van bijvoorbeeld Central Park (341 ha, 20 miljoen bezoekers), Hyde Park (145 ha, vijf miljoen bezoekers) of Parc de la Villette (35 ha, tien miljoen bezoekers) te kennen. Het grootste stadspark van de twintigste eeuw, het Amsterdamse Bos (935 ha), is destijds ontworpen door een team van sociologen, biologen, stedenbouwers en architecten. Van begin af aan wist men precies wat men wilde, bijvoorbeeld een bezoekersmaximum van 100.000 per dag, met een piek van 70.000 op hetzelfde moment. Het Amsterdamse Bos voldoet aan de uitgangspunten voor een geslaagd park: het is goed gepland, goed ontworpen en goed

Wanneer niet voldaan wordt een van deze drie gaat het fout. Dit stukje gaat niet over Amsterdam, maar het Museumplein geldt hier helaas als sprekend voorbeeld. Het Museumplein verbindt het Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Van Gogh Museum, Concertgebouw en haar vaste bespeler het Concertgebouworkest. Gezamenlijk vormen zij het culturele hart van Nederland, met een jaarlijks miljoenenpubliek bovendien de grootste cultuurtoeristische bestemming van het land. Het Museumplein vormt vooral een neutraal middengebied in plaats van een verbinding tussen de instellingen. Het Museumplein zou in potentie als culturele buitenlocatie in het verlengde van de musea en muziekinstellingen een programmering kunnen krijgen die aansluit op het binnenprogramma. Echter, evenals in andere steden wordt ook in Amsterdam ieder seizoen menig strijd uitgevochten tussen gebruikers, bezoekers en bewoners. Openbare plekken als het Museumplein, maar ook het Haagse Bos of het Rotterdamse Kralingse Bos, worden gekenmerkt door tegenstrijdige wensen van belangengroepen, omwonenden, gebruikers, en festivalorganisatoren. Gemeentelijke diensten, deelraden en gemeentebesturen hebben de ondankbare taak iedereen het naar de zin te maken, wat zelden lukt.

Het stadspark: van overheid én burgers
Wie een vergelijking wil maken met een geslaagd voorbeeld zou de ervaring van het New Yorkse Bryant Park (6 ha, maximaal 5.000 bezoekers tegelijkertijd), tussen Fifth en Sixth Avenue, ter hoogte van 42nd Street kunnen analyseren. Na jarenlange verwaarlozing en overlast gevende junks besloot het stadsbestuur tot drastische maatregelen en droeg het park over aan de private Bryant Park Restoration Corporation. Een plan werd gemaakt waarbij als eerste maatregel de hekken werden verwijderd (sic). Omgangsnormen met zwervers werden vastgesteld waarbij daklozen werden geaccepteerd als een gegeven maar overlast werd niet gedoogd. Door actief beheer werden stille gedeeltes van het park roulerend geactiveerd zodat junks geen bezit konden nemen van ‘eigen’ territorium. Bryant Park heropende in 1995, tweederde van de onderhouds- en exploitatiekosten worden betaald door de stad New York, eenderde is afkomstig uit exploitatie, verhuur en particuliere middelen. Het succes van de Bryant Park Restoration Corporation overschaduwde zelfs de zero tolerance van burgemeester Giuliani, die in dit verband sprak over ‘an active irritant’. Bryant Park staat model voor een nieuwe ontwikkeling die ook in Nederland schoorvoetend medestanders krijgt: het privatiseren van de publieke ruimte. Waarom zou de overheid als enige verantwoordelijk zijn voor het gebruik en beheer?

Voor het Bryant Park zijn tien factoren bepaald die als universele voorwaarden van geslaagd stadsgroen gelden:

veilig
schoon
instemming van betrokkenen
toiletten
bankjes
verlichting
beplanting voor alle seizoenen
programmering
inrichting
management

Parken die onvoldoende functioneren schieten op een of meerdere van deze punten tekort. De oplossing begint met het honoreren van deze tien. Daarbij is niet langer de overheid als enige de aangesproken partij. Om het potentieel van stedelijk groen optimaal te laten renderen kan, naar Londens voorbeeld, het zogenaamde ‘Right to challenge’ principe worden gehanteerd waarbij burgers, lokaal bedrijfsleven en de overheid de handen ineenslaan om publieke ruimte te optimaliseren.

Meer lezen en zien?
Janine Schrijver fotografeerde in het project ‘Our Nature‘ de afgelopen vijf jaar het park in zijn verschillende facetten in Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen, Berlijn, Antwerpen, Barcelona, Wenen en Rio de Janeiro, Shanghai en New York.
Deze column verscheen eerder op stadsleven.nu en is met toestemming overgenomen. Op deze site vindt u meer artikelen over stadsparken van mensen die er met bijzondere ogen naar kijken.